Beiaardier

De Beiaardier Maandag 31 mei 2010

Als Elbrich dit van tevoren had geweten, zou ze een vluchtplan hebben uitgewerkt. Verbijsterd keek ze om zich heen. Vluchtplan? Hier? De wind gierde om haar oren en het was bitterkoud. Ze kon niemand om hulp vragen want op het moment waarop de zware deur achter haar dichtsloeg, besefte ze dat haar mobieltje in haar tas zat die beneden bij het klokkenspel lag. Ze keek naar boven, de hemel was inktzwart en de sterren flonkerden. Onder andere omstandigheden zou ze er lyrisch over worden. Voorzichtig tuurde ze over de trans naar beneden: ver onder haar lagen de daken van huizen, winkels en de hoofdstraat die hier een flauwe bocht maakte. Geen mens te zien. Geen wonder: het was ver na middernacht en het was stervenskoud. Ze schrok van het gekoer van de duiven die beschutting zochten in een diepe nis die vlak boven haar hoofd in de metersdikke muur zat. Zelfs die duiven hadden het beter dan zij. Ze kreeg steeds minder gevoel in haar ledematen. Wat was dit voor een vent? De paniek liet zich niet meer terugdringen, mijn hemel, waar was ze in beland? Hoe lang zat ze hier al opgesloten op die verlaten toren? Op het dak van de wereld. Haar voeten werden gevoelloos. Elbrich had beter moeten weten: het was een onbesuisd plan tegen middernacht de toren te beklimmen. Wat kende ze hem nou? Eén maand en hoe vaak had ze hem gezien? Op de dating-site leek hij vrolijk en ongecompliceerd, precies wat ze zocht. Anton was groot en donker, als hij lachte had hij kuiltjes in zijn wangen, maar waar ze op viel waren zijn ernstige ogen. Hij was stadsbeiaardier en had altijd toegang tot de Toren. Midden in hun gesprek in de warme kroeg vroeg hij opeens of ze mee naar boven ging. ‘Ik wil je graag mijn werkkamer laten zien,’ zei hij. ‘Of wil je hier blijven?’ Het kroegje stond blauw van de rook. De uitbater lapte het rookverbod blijkbaar aan zijn laars. Elbrich had verbaasd naar Anton gekeken, maar haar ogen glansden. Het onverwachte had haar altijd getrokken. Maar wat moest je in het holst van de nacht bij een carillon? Spelen kon niet, dan is de halve stad wakker. De nieuwsgierigheid won: elkaar ondersteunend en niet alleen vanwege de drank liepen ze door de Oudestraat naar de Nieuwe Toren.

 

Dat was twee uur geleden. Het leek een eeuwigheid. Wat moest ze doen? Ze kon hier onmogelijk blijven zitten tot morgenvroeg, dan zou ze doodvriezen. Het display van de AMRO-bank gaf 02.10 uur aan. Het vroor twaalf graden. Ze herinnerde zich de weersvoorspelling: het zou de koudste nacht in tien jaar worden. De wind trok aan. Elbrich kroop in het meest beschutte hoekje, maar er was geen ontkomen aan, hoog op de toren had de wind vrij spel. Waarom was ze geen duif? Wat wist ze van het oude Kampen? Eigenlijk niets. Anton en zij hadden een paar keer halverwege hun woonplaats afgesproken en nu was ze voor het eerst bij hem. De angst begon haar steeds meer te beheersen. Misschien stond hij achter de deur en genoot hij van bange vrouwen. Ze begon op de zware eiken deur te bonken, maar het enige effect was dat haar knokkels begonnen te bloeden.

 

Anton haastte zich naar beneden. Het was een perfecte avond geweest. Extreme vorst, windkracht 6 en het meisje was opmerkelijk gewillig. Ze deed hem niets, maar dat was niet nodig, hij hoefde niet met ze naar bed om van hun angst te genieten. Eerder die avond had hij met genoegen de weersvoorspelling gehoord. Hij had haar op de site uitgekozen omdat ze zacht en meegaand leek op de foto en toen hij later met haar mailde, bleek ook dat ze zo’n karakter had. Anton viel niet voor zulke vrouwen. Hij had liever dat ze pit hadden, haar op de tanden. Elbrich was moeiteloos in zijn val gelopen. Kat in het bakkie. Op straat herinnerde hij zich ineens haar tasje. Verdomme, dat lag nog boven, ze had hem in ieder geval niet bij zich toen hij haar naar buiten duwde. Mokkend liep hij weer de wenteltrap op. Hijgend kwam hij boven. In het donker moest hij op de tast zoeken maar het tasje was spoorloos. Gespannen dacht hij na. Hij moest er zeker van zijn dat ze haar gsm daarboven niet bij zich had. Hij liep het laatste stukje van de ronde, stenen trap behoedzaam naar boven en legde zijn oor tegen de deur. Geen geluid. Zou ze al bewusteloos zijn? Hij wachtte. Zijn benen deden pijn van het stilstaan. Behoedzaam pakte hij de sleutel uit zijn broekzak die warm aanvoelde in zijn inmiddels steenkoude handen.

 

Uiterst voorzichtig draaide hij het slot om, millimeter voor millimeter. De deur gaf niet mee en kreunde toen hij haar openduwde. Hij strekte zijn armen ver voor zich uit, alsof hij een dol dier af moest weren, maar er gebeurde niets. Het enige geluid was een zacht gekoer. Hij wachtte een minuut en stapte toen de verlaging op die toegang gaf naar het platform. De houten vlonders zuchtten onder zijn gewicht. Een ijskoude wind blies hem in het gezicht. Rustig, zelfverzekerd, ze zeiden altijd over hem dat hij ogen in zijn achterhoofd had en daar vertrouwde hij ook nu op. Hij hoefde alleen het tasje te hebben, misschien was ze al verslapt door de kou. Hij lachte binnensmonds, ..eitje.

 

Het eerste dat hij zag waren de duiven, maar Elbrich was nergens te bekennen. Onmogelijk. Ze moest er zijn. Hij liep de toren rond, in opperste alertheid. Zou ze er in wanhoop afgesprongen zijn? Ach nee, natuurlijk niet. Voor de zekerheid speurde hij de straat beneden af, maar niets wees op de kleur van haar oranje jas. Allengs kreeg hij het benauwd en begon hij te zweten. Waar zat dat wicht? Die snertduiven! Hij probeerde er een te raken met een stuk steen, maar ging bijna onderuit. Ineens hoorde hij gekraak, een geluid dat hem bekend voorkwam en op hetzelfde moment wist hij waarvan. Zijn hart stond stil. Het gekraak kwam van de oude deur en hij besefte dat de harde wind hier onmogelijk spel in had. Hij sprintte naar de uitgang, maar de houten planken waren glad. Vlak voor de deur gleed hij uit, smakte met zijn hoofd tegen de muur en bleef roerloos liggen.

 

Elbrich hoorde zijn voetstappen en zijn ademhaling achter de deur. Nu moest ze handelen, maar ze kon nauwelijks meer lopen en haar handen waren totaal gevoelloos. Met haar laatste krachten kon ze zich opdrukken en in het nisje kruipen. De duiven protesteerden en vlogen luid koerend weg. De wind huilde. De deur ging open en een barse bariton riep haar naam: ‘Elbrich! Waar zit je?’ Ze hield zich muisstil, trachtte met uiterste inspanning het rillen te bedwingen en ze wachtte tot zijn voetstappen zich verwijderden. De nis lag boven de deur, ze hoefde zich alleen maar te laten zakken en ze bad dat hij de sleutel in het slot had laten zitten.

 

Politiebericht, Kampen, 20 december 2010 Om 08.15 uur vond een medewerker van Monumentenwacht op de trans van de Nieuwe Toren het stijf bevroren lichaam van stadsbeiaardier Anton Vegter. Bijzonderheden volgen.