Harry

Harry

 

“Wordt het nog wat of moet ik wachten tot sint- juttemis?” Harry keek ongeduldig mijn kant op.

 

“Schiet nou toch op!”

 

Ik probeerde mijn zwempak af te stropen maar ik was nog nat dus dat ging niet zo snel. “Ik kom eraan”, schreeuwde ik. Ondergoed liet ik maar achterwege. Hè verdorie, ze zaten aan het slot te morrelen, “Ga weg” riep ik, “Hé, daar hebben we het meisje van de club, dag meisje.. daaahaag meisju..” Eindelijk gingen ze weg. Mijn ene sok was kletsnat en mijn andere was ik kwijt.

 

We reden naast elkaar op de fiets, mijn zwemkleren als een bundeltje op de bagagedrager vastgebonden. We kwamen aan bij Harry’s huis. We zetten ons aan de keukentafel. Op de tafel lag een plastic zeil met appeltjesmotief. Zijn moeder schonk ons thee in. De keuken keek uit op een binnenplaatsje. Het gras was bruin en kniehoog en vertoonde gele plekken. Zijn moeder leek een beetje op het type moeder uit mijn stripverhalen. Ze had krulspelden in haar haar en een schort om en ze had een diepe rimpel tussen haar ogen. Een vader leek Harry niet hebben, ik heb hem er nooit naar gevraagd of over horen spreken.

 

“Zo dus jullie gaan vandaag op vossenjacht” vroeg ze. “Ja, zoiets”, mompelde ik, hoewel wat ze zei ontzettend dom was.

 

De bossen lagen op loopafstand van zijn huis. We liepen een half uur tot we een oude schuur zagen. “Daar moeten we zijn”, zei Harry. De deur was afgesloten, maar Harry wist de plek van de sleutel. Hij stak de sleutel in het slot. In het schemerdonker kon ik niet veel ontwaren, er hing een misselijk makende lucht, ik kon hem niet thuis brengen. Er stonden een stuk of tien flessen op de grond, gevuld met een of ander goedje. Ik zag een kist, pas later kwam ik erachter dat het een diepvrieskist was. Harry wenkte me, “kom eens kijken”, dit moet je zien!”. Nieuwsgierig keek ik naar beneden. Tot mijn afgrijzen zag ik dat het dieren waren, dode dieren: honden, katten, konijnen, een paar reetjes. “Mooi hè?”, grijnsde Harry. “Deze is van gister”, hij hield een rode kater aan zijn staart onhoog, “zelf gestroopt, vanavond gaan we er mee aan de gang, de dieren mogen niet te lang in de diepvries blijven, want dan drogen ze teveel uit”.

 

”Harry, wat heb jij hier mee te maken?” hijgde ik, “Ik vind het verschrikkelijk, ik wil naar huis, we zouden vossen kijken, levende vossen!”

 

Harry nam me mee naar een andere hoek van de kamer. “Hier heb je je vos”. Er stond een opgezet vosje mij met zijn kraaloogjes aan te kijken.

 

“Weet je hoe het met een spin moet? Een spin heb ik al een keer gedaan”, zei hij trots. “Een spin moet je nat maken zodat je de poten makkelijk kunt bewegen. Even “au bain marie” opwarmen, dan pak je een dikke naald om door de thorax te steken. Zet hem dan op piepschuim, de poten zet je in de goede positie door fijne naalden te gebruiken”. Harry had een gemeen lachje om zijn mond. Hij genoot hier duidelijk van.Ik ben de deur uit gerend, hij schreeuwde me nog na in de deuropening: “Mietje!”.

 

Ik kende het bos goed genoeg om de weg terug te vinden. Gedesillusioneerd ben ik thuis gekomen. Mijn moeder mopperde over de sok die ik kwijt was...