Het paard

Het paard

 

Het is de laatste woensdag van het jaar en het koor dat ik leid wil het tweede uur spenderen aan een gezellig samenzijn. Chocolademelk en kerstkransjes. Er is een verloting en de gastheer zet een paar leden die al jaren lid zijn in het zonnetje. Zijn gezicht trilt een beetje als hij spreekt, en niet alleen als hij praat zie ik later. Een heer aan mijn rechterkant spreekt mij aan en begint al snel te vertellen over vroeger. De spoorwegen, het hele gezin werkte er vroeger, hij was conducteur. Trots vertelt hij dat hij op alle lijnen van Nederland gereden heeft. Hij ziet er goed uit voor zijn leeftijd, zijn ogen staan helder en hij heeft op zijn bovenlip een klein wit snorretje dat hem iets gedistingeerds geeft. Hij vertelt verder, in zijn diensttijd heeft hij de watersnoodramp in Zeeland meegemaakt, hij moest erheen en ongevraagd vertelt hij mij een verhaal waar ik nog lang over nadenk. Hij spreekt over opgezette koeien, verdronken in de stal, de halster nog om hun nek. Over drijvende kadavers die ze uit het water moesten halen om naar Rotterdam te brengen. Ik zie de molen die hij beschrijft voor me, twee paarden zaten vast en een van hen had in de twintig centimeter dikke vloer een gat gebeten in een laatste poging zijn lijf te redden. Ik kan er niets aan doen, mijn stemming is acuut omgeslagen en het paard blijft de rest van de avond voor mijn geestesoog zweven. Later, als ik terugrijd naar huis over het glimmende asfalt bedenk ik wat voor nut het heeft om nu nog te treuren om een dier dat een vreselijke dood stierf lang voor mijn geboorte maar ik heb geen antwoord. Was ik toen maar een engel die hem losmaakte.