Kertsverhaal

Een kerstverhaal

 

woensdag 24 december 2014

 

Het begon te sneeuwen in deze laatste nacht zo vlak voor kerst. Het meisje stapte dapper door, maar haar voeten waren zo koud, wat deed ze hier in het midden van de nacht zonder behoorlijke kleren en schoenen. Ze sloeg de rode wollen mantel om zich heen, het hielp niets; de wind trok aan en ze kreeg het nog kouder, ze zou het niet lang meer volhouden. De zerken zagen er dreigend uit en staken af tegen de lucht waaruit de vlokken onophoudelijk dwarrelden. Ze was op weg naar het allerlaatste pad waar ze al zo lang rustte. Ze veegde de sneeuw van de grafsteen af en las haar naam. Ze pakte het kaarsje dat ze bij zich had en stak het aan, haar handen waren verstijfd en het duurde even voordat het brandde. Verderop liep een echtpaar gearmd op het trottoir, ze waren vrolijk, zojuist bezochten ze de mis en verheugden zich op het ontbijt dat ze zouden gaan nuttigen bij familie. “En morgen en overmorgen, helemaal geen verplichtingen,” verzuchtte de man en onwillekeurig dacht hij weer terug aan al die voorbije kerstmissen, hij groef in zijn geheugen en was ineens weer het jonge kind wiens ogen glinsterden, toen zijn moeder de lampjes in de boom aanstak. Echte kaarsjes, voor zijn moeder was geen moeite teveel om het haar kinderen naar het zin te maken, naast hem waren er nog twee zussen en twee broers, hij was de jongste. Dat waren de mooie herinneringen, dat zijn vader schitterde in afwezigheid was een vergeten memorie. Toen kwamen de gedachten aan de tot de nok toe gevulde kerstmissen, van alle verplichtingen, van de geplande bezoekjes aan het bejaardentehuis, de bendes kinderen die thuis kwamen met kerst met vriendjes en vriendinnetjes waarvan je nooit meer iets hoorde. Ze passeerden het kerkhof, gisteren was hij er nog geweest en had het graf van zijn moeder bezocht, vanuit zijn ooghoeken blikte hij naar de sombere plek. Hij kreeg een schok toen hij ineens een kaarsje zag branden in die donkere hoek. Toen hij beter keek ontwaarde hij een hele jonge vrouw in een rood gewaad, haar donkere, lange haar hing in pijpenkrullen langs haar blanke gezichtje, ze droeg een hoedje. Hij stootte zijn vrouw aan. “Kijk daar nu, ”zijn stem was hees, en hij wees de plaats aan waar hij het lichtje en het meisje had gezien. “Ik zie niets,” sprak zijn vrouw nuchter, ze keek op van haar doorweekte schoenen. “Sneeuw en de wind die aan de bomen trekt, ik loop hier niet graag zo in het donker langs het kerkhof, jij hebt het altijd wel prettig gevonden om hier tijdens duisternis rond te banjeren.”- “Kijk nu eens goed, zie je haar niet?” - “Lieverd ik zie niets, kom nu, ik heb het koud.” Ze trok hem aan zijn mouw mee.

Na het ontbijt bij haar familie pakte hij toen hij alleen was het fotoboek dat hij al jaren niet meer ingekeken had. Zijn adem stokte, hij had het goed gezien, hij bekeek een foto uit de jaren twintig van de vorige eeuw, hij zag zijn moeder samen met haar broers en zussen waarvan er al twee overleden waren, zijn moeder droeg een kindermantel, het was een zwart witte foto maar hij wist dat het jasje rood was.

De volgende morgen stapte hij uit bed en nog voordat het helemaal licht was zette hij tred richting kerkhof. De wind joeg de wolken aan de hemel zonder mededogen op en het sneeuwde gestadig door. De bevroren aarde knerste onder zijn voetstappen. Het graf van zijn moeder zag eruit als poedersuiker, met zijn handschoen groef hij en hij vond al snel wat hij bevroedde. Een kaarsstomp die bijna afgebrand was.

 

 

HGV december 2014