Mijn arme poes

Mijn arme poes

 

Gespannen kijken ze naar boven. Hun lichamen tot het uiterste gespannen, hun ogen open en alert, hun oren gespitst. Daar boven op de hoge kast daar moet hij ergens zitten, de muis die ze van buiten hebben meegenomen. De enorme rode kater, genaamd Boef droeg hem in zijn bek als levend presentje voor zijn baasjes. Op het moment dat de baas begon te protesteren schrok hij zo, dat hij zijn kaken ontspande en de muis vloog weg de kamer in, op zijn hielen gevolgd door Bastiaan, de andere uit de kluiten gewassen zwarte kater. In een ogenblik zat de muis boven op de kast en nu staan beide heren te kijken met het geduld van een engel, ofschoon muislief zich doodstil houdt. Er verstrijkt een kwartier, dan een half uur en alle partijen verroeren geen vin. Maar de muis verliest de competitie en klampt zich vast aan het gordijn en laat zich naar beneden zakken. Met grote vaart komen de harige loeders op hem afgerend. Nu staat hij op het kleine hoge tafeltje met ingelegd mozaïek, jaren geleden geërfd van een oude tante. De grote rode kater maakt aanstalten voor de sprong, al hindert zijn dikke lijf hem in behendigheid. De muis kijkt radeloos om zich heen, maar blijkt van het slagvaardige type: als een volleerde brandweerman -zijn voor- en achterpoten gevouwen om een van de tafelpoten- laat hij zich naar onderen glijden. Nu grijpt de heer des huizes in en het lukt hem om de muis te vangen en weer veilig naar buiten te loodsen. De katten knijpen minzaam met hun ogen.